Belastingadvies

 

Taks op de beursverrichtingen voortaan ook op verrichtingen via een buitenlandse tussenpersoon

Eind 2016 werd last minute de “speculatietaks” – na een korte bestaansperiode – afgeschaft, maar aan de andere kant werd er ter compensatie voor de begroting  gesleuteld aan de taks op de beursverrichtingen, kortweg de beurstaks.

Zo kwam er vanaf 1 januari 2017 een verdubbeling van de plafonds inzake de berekening van beurstaks en werd de taks voortaan ook van toepassing verklaard op orders gegeven door een Belgische opdrachtgever (natuurlijke persoon of rechtspersoon) en die in het buitenland afgehandeld worden.

Deze regeling viseert niet enkel transacties via bankinstellingen maar ook deze, die via het internet gebeuren bij buitenlandse organisaties, die een platform aanbieden aan Belgische beleggers.

De taks is verschuldigd door de ordergever, lees: uzelf, tenzij u kunt aantonen dat de buitenlandse tussenpersoon die betaald heeft. Doorgaans zal deze niet de nodige inspanningen daartoe leveren (niettegenstaande wettelijk verplicht) doen en zal u zelf actie moeten ondernemen!

Concreet zal u aangifte van belastbare verrichtingen moeten doen en de taks betalen en dit binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de maand waarin de taks werd verschuldigd.

Sancties?

De boete bij laattijdige aangifte is opgetrokken naar een 50 EUR per week vertraging,  maar er is wel een overgangsregeling voorzien. De boete blijft beperkt tot het oude bedrag van 12,50 EUR per week vertraging bij laattijdige aangifte tot 30 juni 2017. De boete verdubbelt naar 25 EUR per week bij laattijdige aangifte in de periode van 1 juli 2017 tot 31 december 2017. Vanaf 2018 geldt de volledige verhoogde boete van 50 EUR per week.

Nalatigheidsinteresten zijn bovendien meteen verschuldigd vanaf de dag waarop de betaling had moeten gebeuren.

 

Voordeel alle aard woning of herkwalificatie huurinkomsten: nu berekend van dag tot dag

Voor een bedrijfsleider die gebruik maakt van een gebouw dat zijn vennootschap hem kosteloos ter beschikking stelt of die een eigen onroerend goed verhuurt aan zijn vennootschap, is het kadastraal inkomen van het betreffende goed van groot belang. In de eerste situatie wordt hij belast op een voordeel van alle aard dat forfaitair berekend wordt op basis van het kadastraal inkomen van het gebouw. In de tweede situatie worden de huurinkomsten ‘geherkwalificeerd’ in bedrijfsleidersbezoldigingen voor zover ze meer bedragen dan 5/3 van het gerevaloriseerde kadastraal inkomen.

Als het onroerend goed niet voor het volledige jaar ter beschikking gesteld of verhuurd wordt, mag het bedrag van het voordeel van alle aard of de drempelwaarde voor de herkwalificatie pro rata temporis verminderd worden. Tot nu toe moest dat volgens de fiscus gebeuren van maand tot maand. De fiscus hanteerde daarbij de praktische regel dat de maand volledig meetelde bij gebruik op de 16e van de maand. Als de woning pas later op de maand in gebruik genomen werd, mocht de maand dus volledig genegeerd worden.

Die regeling was geïnspireerd door de wettelijke regels over de vaststelling van het onroerend inkomen bij een wijziging van de bestemming in de loop van een jaar, maar die wettekst is al enkele jaren aangepast en daar spreekt men voortaan van “uitgedrukt in dagen”.

Om de parallel te behouden, verandert de fiscus nu ook de berekeningswijze voor het voordeel van alle aard en de herkwalificatie van huurinkomsten.

De berekening moet voortaan gebeuren van dag tot dag. Voor een bedrijfsleider die voor het eerst een woning ter beschikking gesteld krijgt na de 16e van de maand, betekent dat in de praktijk wel dat hij een iets hoger belastbaar voordeel van alle aard aangerekend zal krijgen dan volgens de oude berekeningswijze.

Het nieuwe standpunt van de fiscus is van toepassing vanaf 1 januari 2017, maar mag ook al voor het verleden toegepast worden. 

Afschaffing BTW-kwartaalvoorschotten

Vanaf 1 april e.k. zal de voorschotregeling voor BTW-kwartaalaangevers afgeschaft worden. Dat betekent dus dat ze voor het eerste kwartaal van 2017 normaal wel nog voorschotten moe(s)ten betalen en dat uiterlijk tegen 20 februari en 20 maart.

Dankzij de afschaffing van die voorschotten zal er tijdelijk meer geld worden overhouden. Men zal immers niet minder BTW moeten betalen, maar zal die BTW enkel later moeten betalen, maar dan wel in één keer het totale bedrag van het betreffende kwartaal.

Vandaar dat wij als kantoor hebben besloten de “oude” regeling gewoon te laten doorlopen en u het bedrag van de voorschotten mee te delen, zodat u/uw vennootschap  niet ineens geconfronteerd gaat worden met een betalingsprobleem op moment waarop de BTW moet worden betaald, nl. de 20ste van de maand na het kwartaal. 

 

 

Vlaams regularisatieprocedure

Naast de fiscale regularisatie van de federale overheid, bestaat er sinds begin van dit jaar een eigen regularisatieprocedure in het Vlaams Gewest voor de belastingen waar het voor bevoegd is, zoals de erfbelasting.

Voor de concrete regels werd logischerwijze de mosterd gehaald bij de federale regeling.

Het betreft hier wel een “tijdelijke” regularisatieprocedure. De procedure loopt immers maar tot  eind 2020.

Net zoals in de federale regeling wordt er een onderscheid gemaakt tussen fiscaal niet-verjaarde bedragen (FNV) en fiscaal verjaarde (FV) bedragen.

De volgende tarieven gelden:

  • erfbelasting in rechte lijn en tussen partners: 35 % (FNV) en 37 % (FV),
  • erfbelasting in alle overige gevallen: 70 % (FNV) en 37 % (FV), en
  • andere belastingen dan erfbelasting: 20 % (FNV) en 37 % (FV)

Het tarief voor de fiscaal verjaarde kapitalen stijgt met 1 % per jaar tot het maximum van 40 % in 2020.

De Vlaamse regularisatieprocedure is identiek aan de federale procedure. Wie wil regulariseren, moet een bondige verklaring en fraudeschema opmaken waarin hij de herkomst van de kapitalen verklaart. Bij de aangifte moet de aangever verantwoordingsstukken toevoegen. Daarvoor heeft hij maximaal tot zes maanden na het indienen van de aangifte.

De Vlaamse belastingdienst (Vlabel) zal de aangever schriftelijk laten weten of de aangifte ontvankelijk is en welk bedrag hij verschuldigd is. De aangever heeft dan vijftien dagen (na verzenddatum van de brief van Vlabel) om de regularisatieheffing te betalen.

Nieuw statuut voor de student-zelfstandige

Sinds 1 januari kunnen studenten die een zelfstandige activiteit uitoefenen een eigen statuut van student-zelfstandige aanvragen – de vroegere gelijkstelling van een student met een zelfstandige in bijberoep bestaat dus niet langer – als :

  • ze tussen de 18 en 25 jaar zijn, en
  • ze ingeschreven zijn om op regelmatige basis les te volgen in een onderwijsinstelling (voor minstens 27 studiepunten (ECTS) of voor 17 lesuren per week), met de bedoeling om een diploma te behalen dat erkend wordt in België.

Voor de student-zelfstandige met een inkomen dat lager is dan het minimuminkomen voor zelfstandigen in hoofdberoep (13.296,25 euro in 2017) geldt dan voordelige bijdrageregeling:

  • inkomen lager dan 6.648,12 euro per jaar (in 2017): geen sociale bijdragen, en
  • inkomen tussen 6.648,12 euro en 13.296,25 euro (in 2017): een verminderde bijdrage van 21%, berekend op het inkomen boven het grensbedrag.

Indien het inkomen boven voormelde grens ligt, zijn er sociale bijdragen als zelfstandige in hoofdberoep verschuldigd.

Op het vlak van gezondheidszorgen is er behoud van rechten als persoon ten laste als de inkomsten lager zijn dan 6.505,33 euro en als titularis indien de student bijdragen betaalt. Bovendien tellen de periodes waarvoor de student bijdragen betaalt (ook verminderde bijdragen) om rechten te openen op het vlak van arbeidsongeschiktheid/invaliditeit/moederschap.

Het statuut heeft ook een fiscaal luik: zoals nu al het geval is voor de student-werknemers, zal de eerste inkomensschijf van de student-zelfstandigen niet beschouwd worden als bestaansmiddel voor de berekening van de personen ten laste. Voor 2017 bedraagt deze 2.660 euro.

Bron: Wet van 18 december 2016 tot vaststelling van het sociaal en fiscaal statuut van de student-zelfstandige, Belgisch Staatsblad van 30 december 2016

Vlaanderen : ook vermindering dakisolatie geschrapt

Op het vlak van de belastingvermindering voor energiebesparende uitgaven wordt de enig nog overblijvende vermindering, nl. die voor dakisolatie, met ingang van aanslagjaar 2018 opgeheven in Vlaanderen.

Daarenboven is het zo dat betalingen gedaan in 2017 enkel recht geven op vermindering voor zover ze verband houden met contracten afgesloten in 2016 en waarvoor in dat jaar reeds een voorschot werd betaald.

In het Waals Gewest daarentegen blijft de belastingvermindering tot nader order bestaan, terwijl ze in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest reeds met ingang van aanslagjaar 2017 werd afgeschaft.

Onkostenvergoedingen voor vrijwilligers: wat zijn de maximumbedragen?

Een vrijwilliger kan ofwel een reële ofwel een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangen.

Reële onkostenvergoedingen kennen geen begrenzing, maar ze moeten natuurlijk gestaafd worden aan de hand van verantwoordingsstukken.
Voor reële kilometervergoedingen geldt wel een maximumbedrag per kilometer, nl.
– eigen wagen, motor of bromfiets : € 0,3363 / km, en
– eigen fiets : € 0,22 / km. Deze bedragen gelden nog tot eind juni 2017.

Forfaitaire onkostenvergoedingen hebben een maximum op dag- en jaarbasis. De grens ligt met ingang van 1 januari 2017 op respectievelijk € 33,36 en € 1.334,55.

Ter info. De wet heeft een combinatie van beide onkostenvergoedingen altijd verboden, maar er bestaat hierop één uitzondering : reële vervoerskosten kunnen gecumuleerd worden met de forfaitaire kostenvergoedingen en dit voor maximaal 2.000 kilometer op jaarbasis per vrijwilliger.

! De onkostenvergoedingen moeten steeds geïnventariseerd worden in een vrijwilligersregister.

Nog belastingvermindering voor dakisolatie in 2017?

De gewestelijke belastingvermindering voor uitgaven (materiaal plus plaatsing) voor dakisolatie bedraagt 30% van het factuurbedrag, weliswaar met een plafond van 3.070 euro.

Deze belastingvermindering wordt echter vanaf 2017 afgeschaft.

M.a.w. geen belastingvoordeel meer, tenzij u kan beroep doen op de – weliswaar nog goed te keuren – overgangsmaatregel.

Naast de algemene voorwaarden (gebouw, of een gedeelte ervan met een woonfunctie (eengezinswoning, appartement, studio), waarvan u eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder, vruchtgebruiker of huurder bent / minimaal 5 jaar in gebruik bij de start van de werken / plaatsing door een aannemer / correcte vermeldingen op facturen en technische vereisten m.b.t. gebruikte materialen) dient u met volgende rekening te houden:

1. U moet een aannemingsovereenkomst gesloten hebben uiterlijk op 31 december 2016 (een gehandtekende bestelbon of een schriftelijke bevestiging van een offerte geldt als bewijs),
2. U moet een voorschot gestort hebben uiterlijk op 31 december 2016 (het bedrag van het voorschot is overeen te komen met de aannemer, er is geen minimumbedrag) en
3. U moet de facturen betaald hebben uiterlijk op 31 december 2017.

 

Belastingvermindering voor dienstencheques bij gezamenlijke aanslag

Op fiscaal vlak is de aankoop van dienstencheques voordelig. De in dat kader betaalde bedragen geven recht op een gewestelijke belastingvermindering van 30 %.

Dit is echter niet ongelimiteerd.
Er kan per persoon in 2016 maximaal 1.404 euro in aftrek gebracht worden (156 cheques), hetgeen een belastingvermindering oplevert van 421,20 euro, nl. 1.404 x 30 %.

Om maximaal te genieten, is het dus aangewezen bij gehuwden of wettelijk samenwonenden (gezamenlijke aangifte) om de uitgaven over beide personen te verdelen, zodat er geen fiscaal voordeel verloren gaat.

Er is namelijk geen automatische overdracht van het bedrag betaald boven voormelde grens. U dient de cheques onder eigen naam aan te kopen en een eigen gebruiksnummer aan te maken bij Sodexo.

Grensarbeiders en fiscale behandeling kinderen ten laste

Al jarenlang lopen gehuwde of wettelijk samenwonende grensarbeiders met kinderen ten laste tegen het probleem aan dat zij door de Belgische fiscus benadeeld worden.

Dit heeft te maken met de manier waarop de Belgische fiscus de belastingvrije sommen voor kinderen ten laste aanrekent.

Deze worden bij voorrang aangerekend op het inkomen van de partner met het hoogste belastbare inkomen, ook indien dit buitenlands inkomen is dat op basis van de Dubbelbelastingverdragen in het buitenland belastbaar is en dus in België onder progressievoorbehoud vrijgesteld wordt van personenbelasting.

Gevolg van deze werkwijze is dat de belastingvermindering wegens kinderlast de facto verloren gaat.

In 2013 besliste het Europees Hof van Justitie dat deze werkwijze ingaat tegen de vrijheid van vestiging en het vrij verkeer van werknemers. Recent hebben ook Belgische rechtbanken en hoven dit standpunt ingenomen.

De Belgische wetgever zal de spelregels dus dienen aan te passen, maar dat gaat ook niet van vandaag op morgen.

Bijgevolg raden we de grensarbeiders die zich in deze situatie bevinden aan zich te richten tot de FOD Financiën om een rechtzetting te bekomen en dit via een verzoek van ontheffing van ambtswege bij de Gewestelijke Directie.

Dit verzoek dient ingediend te worden binnen een termijn van 5 jaar te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin de betwiste aanslag is gevestigd.

In 2016 kan dus nog een verzoek worden ingediend voor de aanslagen die in 2012 of later gevestigd zijn. Zeker is dat de inkomstenjaren 2011, 2012, 2013 hieronder vallen.

Of het inkomstenjaar 2010 ook nog kan meegenomen worden, hangt ervan af of de aanslag over dat jaar al of niet later dan in 2012 is gevestigd.

Of het inkomstenjaar 2014 kan worden meegenomen hangt af van het feit of er reeds een aanslag is gevestigd en deze dateert van meer dan 6 maanden geleden. Zo niet, dient de bezwaarprocedure te worden gevolgd.