januari, 2018

 

buitenlandse inkomsten en kinderen ten laste – wettelijke regeling

Traditiegetrouw werd er op het einde van het jaar nog veel nieuwe fiscale wetgeving door het parlement gejaagd.

Zo komt er met ingang 2018 een wettelijke oplossing voor het probleem van de aanrekening van de toeslagen op belastingvrije som voor kinderen ten laste waarover we u in juli 2017 reeds berichtten.

Doordat de toeslagen op de belastingvrije som voor kinderen ten laste, bij gehuwden en wettelijk samenwonenden, werden aangerekend bij de partner met het hoogste belastbare inkomen, had dit de facto geen effect wanneer dit inkomen enkel bestond uit buitenlandse in België van belasting vrijgestelde inkomsten.

Deze aanrekeningsregel werd door de Europese en de Belgische rechtspraak strijdig bevonden met het Europees recht respectievelijk het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel.

Om deze strijdigheid te voorkomen, wordt de wet nu gewijzigd: de voormelde aanrekeningsregel blijft, behalve wanneer de toevoeging aan het laagste belastbare inkomen voordeliger is en dit ongeacht of er in het buitenland al een voordeel word toegekend voor de kinderlast.

Het vernieuwde erfrecht – Noodzaak om uw successieplanning te herbekijken?

Het huidige erfrecht dateert nog vanuit de tijd van Napoleon en was dus dringend aan modernisering toe. Verleden september werd een wet tot hervorming van het erfrecht gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad met de volgende krachtlijnen:

1/ de erfrechtelijke reserve

– onder het nieuwe erfrecht wordt het reservatair erfdeel van de kinderen aangepast: ongeacht het aantal kinderen zal de reserve van de kinderen beperkt zijn tot de helft van de nalatenschap. De andere helft is het beschikbaar deel waarover de erflater vrij kan beschikken; dus de reserve staat niet langer in functie van het aantal kinderen; en

– en zullen overlevende ouders geen wettelijke reserve meer hebben, maar krijgen in de plaats een onderhoudsvordering tegenover de nalatenschap als ze behoeftig zijn; dus niet meer automatisch een reserve van 1/4de van de nalatenschap per overlevende ouder.

2/ dezelfde inbrengregel voor alle schenkingen

De inbreng van schenkingen door erfgenamen gebeurt vandaag op verschillende wijze naargelang het gaat om roerende, dan wel om onroerende goederen. Dit geeft in de praktijk aanleiding tot nogal wat problemen. Die verschillende behandeling wordt weggewerkt en de inbreng zal voortaan aan intrinsieke waarde op de dag van de schenking gebeuren, weliswaar nog met een indexatie op basis van de index der consumptieprijzen tot op het moment van overlijden.

Let op met schenkingen met voorbehoud van vruchtgebruik, want deze worden nog wel gewaardeerd tegen waarde op moment van overlijden.

3/ inkorting

Als de overledene tijdens zijn leven teveel van zijn vermogen al heeft weggeschonken, kunnen de reservataire erfgenamen vragen dat de geschonken goederen weer in natura naar de nalatenschap komen, dit heet men inkorting. Onder het nieuwe erfrecht moet de inbreng in waarde gebeuren. De begiftigde kan het gekregen goed zelf houden, maar moet de tegenwaarde van het goed teruggeven aan de nalatenschap.

4/ het verbod van overeenkomsten over een niet-opengevallen nalatenschap

Het principiële verbod blijft ook na de hervorming van het erfrecht bestaan, maar de wettelijk toegelaten erfovereenkomsten (globaal of punctueel) worden uitgebreid. Hierdoor komt de wetgever tegemoet aan een bekommernis van vele burgers om zélf hun nalatenschap te regelen en dit in overleg met de toekomstige erfgenamen, hetgeen pijnlijke discussies achteraf zal voorkomen.

Het hervormde erfrecht zal in werking treden voor overlijdens vanaf 1 september 2018 en zal op dat moment ook van toepassing zijn op schenkingen die voordien plaatsvonden.

Wilt u ook na 1 september 2018 de oude regels toegepast zien op uw eerdere planningen, dan kan u daarvoor opteren door bij de notaris een verklaring tot behoud van die oude regels af te leggen en dit uiterlijk 1 september 2018.

Uiteindelijk Begunstigden – Ultimate Beneficial Owner (UBO)

De antiwitwaswetgeving van 1993 viseerde o.a. reeds banken en “cijferberoepers”.

Vandaar dat uw bank, uw externe accountant, externe belastingconsulent en/of erkende externe boekhouders-fiscalisten u vermoedelijk reeds een UBO-vragenlijst lieten invullen.

Recent heeft de wetgever naar aanleiding van de “vierde Europese anti-witwasrichtlijn” (richtlijn (EU) 2015/849) de anti-witwaswet wat aangepast en met ingang van oktober 2017 is voorzien in de oprichting van een register van uiteindelijk begunstigden (UBO-register) bij de Federale Overheidsdienst Financiën.

Hierin zullen alle Belgische vennootschappen en andere juridische entiteiten (trusts, stichtingen, (internationale) verenigingen zonder winstoogmerk) informatie over de uiteindelijk begunstigde eigenaar, zoals naam, geboortedatum, nationaliteit en adres van de uiteindelijke begunstigde alsmede de aard en omvang van het door de uiteindelijke begunstigde gehouden economisch belang, op moeten registreren.

Op die manier brokkelt de anonimiteit over inkomsten en vermogens verder af, aangezien tot op heden aandelen op naam van (Belgische) vennootschappen enkel ingeschreven dienden te zijn in een privé gehouden aandeelhoudersregister.

Het kader van het UBO-register ligt vast, maar de Koning dient verdere uitvoeringsmodaliteiten te bepalen : zoals hoe en welke informatie wordt verzameld, alsook regels inzake het beheer, de toegang, het gebruik en de verificatie van de gegevens.

Niettegenstaande het register in de schoot van de FODF wordt uitgebouwd, zal de fiscus het UBO-register enkel kunnen raadplegen voor de doeleinden van de anti-witwaswet, nl. het voorkomen van witwassen van geld en het strijden tegen de financiering van terrorisme en dus niet voor haar fiscale controlewerkzaamheden.

AOW – belastbaar in personenbelasting?

De belastbaarheid van een AOW-uitkering is een discussie die in België een lange geschiedenis heeft gekend.

De rechtspraak maakte het de Administratie onmogelijk om de AOW-uitkering te belasten wanneer die niet rechtstreeks of onrechtstreeks een band had met de beroepswerkzaamheid. In de mate dat de AOW-uitkering werd opgebouwd louter door inwoner van Nederland te zijn, was de AOW-uitkering niet belastbaar.

Door te sleutelen aan het toepassingsgebied van artikel 34, § 1, 1° W.I.B.’92 – lees door het uit te breiden – zal de AOW-uitkering met ingang van 1 januari 2017 (aanslagjaar 2018) steeds volledig in België worden belast.

De fiscale strijd inzake de AOW-uitkering is m.a.w. dan ook definitief gestreden.