december, 2015

 

Verlaagd btw-tarief 6% renovatiewerken privéwoningen – overgangsmaatregel

Zoals reeds gemeld in ons bericht van maart ll. wordt de ouderdomsvereiste van een woning voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% voor renovatiewerken vanaf 1 januari 2016 verhoogd van 5 jaar naar 10 jaar.

Voor werken die in 2016 aan een privéwoning worden verricht, is de nieuwe ouderdomsvereiste van 10 jaar vervuld wanneer de woning voor het eerst in gebruik is genomen in de loop van het jaar 2006 of vroeger.

Er is echter een overgangsmaatregel voor werken die starten na 31 december 2015 of die 31 december 2015 nog niet voltooid zijn en die voor die datum nog niet volledig gefactureerd zijn.

Deze werken aan een woning van minstens 5 jaar oud (woning tussen 1 januari 2007 en 31 december 2010 voor het eerst in gebruik zijn genomen) blijven het tarief van 6% genieten als u tegelijk voldoet aan de volgende twee voorwaarden:

1.◾U heeft de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag of melding ten laatste op 31 december 2015 gedaan,

De indieningsdatum moet worden aangetoond a.d.h.v. een door de gemeente uitgereikt ontvangstbewijs of het bewijs van aangetekende verzending of het bewijs van digitale indiening via een overheidsplatform.

! wanneer de aanvraag algemeen is (bv. “uitvoering renovatiewerken aan woning”, “uitbreiding woning”) dient een overeenkomst neergelegd te worden bij het btw-kantoor om mogelijke problemen te vermijden.

of de voldoende gedetailleerde overeenkomst (≠ offerte – coördinaten van de partijen, adres woning waar de werken worden uitgevoerd, concrete beschrijving van de aard van de werken en de overeengekomen prijs) is uiterlijk op 31 december 2015 gesloten.

Dit kan worden aangetoond door de datum van registratie van de overeenkomst of van de (notariële) akte waarin de hoofdinhoud van de overeenkomst is opgenomen.

In andere gevallen kan de vaste datum van de overeenkomst ook worden aangetoond d.m.v. een ontvangstbewijs uitgereikt door het btw-controlekantoor van de dienstverrichter met vermelding van de datum van ontvangst en de coördinaten van de betrokken partijen (dienstverrichter en bouwheer)

Wanneer geöpteerd wordt voor de neerlegging op het btw-controlekantoor moet rekening worden gehouden met de sluiting van de btw-controlekantoren vanaf 25 december 2015. Indien men een na 24 december een neerlegging wil doen, volstaat het een kopie van die overeenkomst via een per post aangetekende zending te versturen uiterlijk op 31 december 2015.

en

2.◾De aannemer reikt de facturen uit ten laatste op 31 december 2017.

 

Verhoging vrijstellingsdrempel kleine ondernemingen naar 25.000 euro

Vanaf 1 januari 2016 zal het beperkt omzetcijfer voor de toepassing van de vrijstellingsregeling van belasting voor kleine ondernemingen opgetrokken worden van 15.000 euro naar 25.000 euro.

De aandacht wordt gevestigd op het feit dat de wetteksten die deze wijzigingen bevatten nog niet gepubliceerd zijn en dat de overgang naar de drempel van 25.000 euro afhankelijk is van een machtiging van de Europese Raad.

Deze regeling is daarenboven.

De onderneming van wie het in 2015 gerealiseerd omzetcijfer 25.000 euro niet overschrijdt en die vanaf 1 januari 2016 wenst te genieten van de vrijstellingsregeling van belasting (artikel 56 § 2 van bet Btw-Wetboek. ) kan, indien zij aan alle toepassingsvoorwaarden voldoet, opteren voor deze regeling aan de hand van de bijgevoegde verklaring van overgang die tegen uiterlijk 15 december 2015 moet worden teruggestuurd naar het bevoegd Btw-controlekantoor.

 

Opeisbaarheid btw: weer wijzigingen vanaf 2016?

De regels in verband met de opeisbaarheid, en daarmee samenhangend de aftrekbaarheid, van de btw zijn de laatste jaren ettelijke malen gewijzigd.

De regelgeving zoals ze geldt vanaf 1 januari 2015, bepaalt het moment van de opeisbaarheid op…

  • het moment van de levering van de goederen;
  • het moment van de voltooiing van de dienst;
  • het moment van de (gedeeltelijke) betaling als die al eerder heeft plaatsgevonden.

Vanaf deze datum is de btw opeisbaar en kan de klant de btw aftrekken. Ook al beschikt hij nog niet over een factuur.

Dit betekent dat de datum van de factuur op zich in principe niet van belang is.

Er bestaan hierop evenwel heel wat uitzonderingen: ‘administratieve toleranties’.

De precieze regels worden o.a. beïnvloed door (i) de vraag of de klant een andere belastingplichtige (B2B) of een consument (B2C) is en (ii) of de factuur meer of minder dan zeven dagen voor het belastbaar feit wordt uitgereikt.

Deze regels blijven echter in de praktijk voor moeilijkheden zorgen. Vandaar dat de regering een voorstel heeft ingediend om de regelgeving vanaf 1 januari 2016 opnieuw te veranderen en de factuurdatum (terug) van belang gaat zijn en het moment van opeisbaarheid gaat bepalen.

Dat betekent dat vanaf 2016 één van de volgende data doorslaggevend zal zijn:

  • de factuurdatum;
  • de datum waarop er een voorschot wordt betaald, maar enkel als deze betaling plaatsvindt voor de levering of de voltooiing van de dienst. Let dus op: als de betaling gebeurt NA de levering/voltooiing van de dienst, maar VOOR de factuur wordt uitgereikt, blijft de factuurdatum doorslaggevend en niet de betaling.

De factuur moet worden uitgereikt uiterlijk de vijftiende dag van de maand volgend op de maand van de levering/voltooiing dienst. Wordt de factuur niet tijdig uitgereikt, dan is de datum waarop ze had moeten worden uitgereikt van belang: de handeling moet worden opgenomen in de btw-aangifte over het tijdvak waarin de factureringstermijn verstrijkt.

Voormelde regeling is nog niet definitief, dus nog aan mogelijkse wijzigingen onderhevig.

Verhuur van magazijnen en btw

De regel is dat onroerende verhuur vrijgesteld is van btw.

M.a.w. wie onroerende goederen verhuurt, moet daar geen btw op aanrekenen.

Dat heeft voor- en nadelen. Voordeel is dat de verhuur goedkoper is. De prijs wordt voor de huurder niet verhoogd met de btw. Als er wel btw moet worden aangerekend, dan is dat vooral voor particulieren die het goed louter privé gebruiken kostprijsverhogend. Voor de verhuurder is er evenwel ook een nadeel: hij heeft zelf geen recht op aftrek van voorbelasting. Hij kan dus de btw die hij zelf betaald heeft, bv. bij het verwerven of verbouwen van het goed, niet recupereren.

Daarom is het voor belastingplichtigen eigenlijk voordeliger toch btw aan te rekenen. Als de huurder zelf ook belastingplichtige is, maakt het niets uit: die zou de btw op de (ver)huur immers toch kunnen aftrekken.

Vb. De NV A verhuurt een onroerend goed aan bvba B voor 5.000 euro per maand. Er wordt geen btw aangerekend. Vlak voor het ingaan van de verhuur heeft A evenwel werken moeten laten uitvoeren om het pand gebruiksklaar te maken: deze werken kosten 10.000 euro + 2.100 btw. Deze betaalde btw (2.100 euro) mag A niet aftrekken.

Uitzondering: de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen

Deze dienst is wel aan btw onderworpen.

Aangezien de niet vrijgestelde verhuur een uitzondering is, moet die strikt worden toegepast. Enkel de verhuur van gebouwen die alleen als opslagruimte worden gebruikt, kan aan btw worden onderworpen.

Met andere woorden als het pand naast als opslagruimte ook nog voor andere activiteiten wordt gebruikt, is de uitzondering niet van toepassing en wordt voor het gehele gebouw de aftrek van btw uitgesloten.

Voorbeeld A verhuurt een magazijn met een winkelpand erbij. Het gebouw wordt niet enkel voor de opslag van goederen gebruikt. De verhuur van het hele pand (magazijn + winkel) valt onder de vrijstelling voor onroerende verhuur.

maar toch met een klein beetje soepelheid: de 10 %-drempel

Pragmatisme. In de meeste gebouwen die als magazijn worden gebruikt is er immers toch een (kleine) ruimte nodig waar geen goederen worden opgeslagen, met name een kantoorruimte vanwaar de voorraadadministratie wordt beheerd.

De aanwezigheid van een klein kantoor sluit de toepassing van de uitzondering (aanrekenen en aftrekken van btw) volgens de fiscus niet uit op voorwaarde dat:

  • het kantoor is bedoeld voor personen die belast zijn met het beheer van de opgeslagen goederen;
  • de oppervlakte van het kantoor bedraagt niet meer dan 10 % van de oppervlakte van het ganse gebouw.

De rulingcommissie heeft recent de 10 %-drempel verrassend ingevuld.

Een belastingplichtige wilde een gebouw zetten en dat als magazijn gaan verhuren. De oppervlakte van de kantoren (van waaruit het voorraadbeheer zou worden gedaan) overschreed echter de 10 %. Anderzijds was de opslagruimte wel hoog, veel hoger ook dan de kantoren. Daardoor zou het volume van de kantoorruimtes wel kleiner zijn dan 10 % van het totale volume van de ruimtes. De rulingcommissie volgde deze redenering en stond toe dat de uitzondering (btw op de verhuur van de opslagruimtes) toch kon worden toegepast.

Wat betekent deze ruling voor u? Wel, ‘rulings’ zijn in de eerste plaats enkel van toepassing op de aanvrager. Anderzijds kan een standpunt van de rulingcommissie wel als overtuigend argument worden gebruikt in andere gevallen. De kans bestaat dus dat de fiscus en de rulingcommissie het volumecriterium in de toekomst vaker zullen aanvaarden.

Verhoging roerende voorheffing (RV)

Vanaf 1 januari 2016 stijgt het tarief van de roerende voorheffing op roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard van 25 % naar 27 %.

Voor welke roerende inkomsten?

Kortweg voor  interesten en dividenden waarop de roerende voorheffing momenteel 25% bedraagt.

Ook voor liquidatieboni? Ja! Bij de vereffening van uw vennootschap komt er ook 2% bovenop de huidige 25% indien u geen liquidatiereserve aangelegd heeft.

Wat met de liquidatiereserves? Heeft uw vennootschap de 10% belasting betaald bij de aanleg van de liquidatiereserve, dan blijft die definitief. Bij de latere uitkering van de liquidatiereserve naar aanleiding van de vereffening van de vennootschap betaalt u geen rv meer. Wacht u meer dan 5 jaar na de aanleg met de uitkering van de liquidatiereserve, dan blijft de rv gelijk aan 5%.

Let op! Keert uw vennootschap binnen de 5 jaar na aanleg de liquidatiereserve uit, dan zal de roerende voorheffing op deze dividenduitkering met 2% toenemen, dus van 15% naar tot 17%.

Voor de vastgeklikte reserves van art. 537 W.I.B.’92 stijgt het tarief van 15% naar 17% op kapitaalverminderingen die binnen de twee jaar plaatsvinden bij een kleine vennootschap en die binnen de  vier jaar gebeuren bij een grote vennootschap.

Thematische volksleningen. Op de interesten van de thematische volksleningen stijgt de rv plotseling van 15% naar 27%. Ook voor de dividenden uit vastgoed-beleggingsvennootschappen is dat het geval.

Voor welke roerende inkomsten stijgt de RV niet?

Voor interesten van de zogenaamde “Letermebons” en van gereglementeerde spaarboekjes verandert er niets. Het verlaagd tarief van 15 % blijft behouden, met dien verstande dat de eerste schijf van interesten van spaardeposito’s vrijgesteld is.

Ook de tarieven in het kader van de zgn. ‘VVPR-bis’-regeling blijven dezelfde.

Op inbrengen in geld in kleine vennootschappen vanaf 1 juli 2013 die aan bepaalde voorwaarden voldoen, kunnen nog altijd genieten van de verlaagde roerende voorheffing-  al naargelang het moment van de uitkering – van 20% of 15%.

Auteursrechten blijven genieten van het afzonderlijk tarief van 15% in de personenbelasting en  qua roerende voorheffing .