januari, 2015

 

De administratie doet een controle en neemt mee: het meeneemrecht van de belastingcontroleur in zeven regels

Als u een controleur over de vloer krijgt, mag die alle boeken inzien. Daarnaast willen sommige controleurs die boeken en bescheiden ook meenemen naar hun katoor. Ze hebben daartoe het recht, maar niet onbeperkt. Een recente circulaire zet de regels uiteen.

1. Inkomstenbelastingen: de fiscus mag alle stukken meenemen die nodig zijn om het belastbaar inkomen te bepalen

Een controleur mag alle stukken (boeken en bescheiden) meenemen, die nodig zijn om het belastbaar inkomen te bepalen. De belastingplichtige mag daarbij evenwel niet gehinderd worden in het uitoefenen van zijn werkzaamheden. Daarom mogen boeken die nog niet afgesloten zijn, niet meegenomen worden. De ambtenaar mag ze natuurlijk wel ter plaatse (lees: bij de belastingplichtige) controleren.

2. Btw: meeneemrecht slaat op alle boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid

Btw-controleurs hadden dit recht al langer (in de inkomstenbelastingen mag het pas sinds begin 2014). Het meeneemrecht slaat op alle boeken en stukken die betrekking hebben op de economische activiteit van de gecontroleerde belastingplichtige. Denk daarbij in de eerste plaats aan inkomende en uitgaande facturen.

3. Kopieën maken van stukken die in elektronisch formaat worden bewaard

Van de stukken die in eender welk elektronisch formaat worden bijgehouden, mag de ambtenaar een kopie vragen.

4. Privégoederen mag de controleur niet meenemen

Zoals hierboven vermeld mag de ambtenaar alle stukken die nodig zijn om het belastbaar inkomen te bepalen, meenemen. Dat kan uiteraard enkel slaan op professionele documenten en stukken. Het inkijken van goederen met een privékarakter (bv. aktetas, handtas), valt niet onder de controlebevoegdheid van de fiscus. Zelfs als er stukken zouden inzitten die wel onder het meeneemrecht vallen, mag de ambtenaar dat niet nagaan. Vermits hij er zelfs niet in mag kijken, mag hij deze goederen zeker niet meenemen.

5. Het is aan de ambtenaar om te beslissen wat hij meeneemt

Het komt aan de controlerende ambtenaar zelf toe om te bepalen welke stukken hij wil meenemen. Dit is wat men noemt de discretionaire bevoegdheid van de ambtenaar. Dit betekent dat ze geen bijzondere motivatie moeten geven waarom ze bepaalde stukken willen meenemen. Natuurlijk gelden er ook beperkingen:

  • de controleur mag niet willekeurig te werk gaan;
  • hij moet de hierboven genoemde regels respecteren;
  • hij mag de stukken niet zondermeer meenemen, maar moet aan de gecontroleerde vragen of die ze mee wil geven. De belastingplichtige kan dus weigeren;
  • hij moet een proces-verbaal opstellen, wanneer hij stukken meeneemt en de belastingplichtige daarvan een kopie bezorgen binnen de 5 dagen na meename.

6. Meenemen van stukken moet de uitzondering blijven

De hoofdregel is: de nodige documenten bij de belastingplichtige (zetel van de vennootschap, plaats waar de activiteit wordt uitgeoefend) inkijken. De stukken meenemen om ze op het controlekantoor rustig te bekijken, is dan de uitzondering die de regel bevestigt.

7. De administratie moet de stukken tijdig teruggeven

De administratie mag de stukken bijhouden tijdens de normale duur van het onderzoek. Wat precies een normale duur is, is evenwel niet duidelijk. Na die periode moeten de stukken aan de belastingplichtige worden terugbezorgd, bv. wanneer de fiscus de informatie uit de stukken heeft gebruikt om een bericht van wijziging op te stellen, waarbij de fiscus met andere woorden heeft besloten op basis van welke (niet-aangegeven) gegevens de belastingplichtige zal worden belast.

Rechtspersoon die optreedt als bestuurder? Vanaf 2016 altijd btw

Bestuursfuncties in vennootschappen kunnen worden waargenomen door natuurlijke personen, maar ook door andere rechtspersonen. Voorlopig kunnen deze rechtspersonen er voor kiezen op deze dienst geen btw aan te rekenen. Vanaf 1 januari 2016 worden de bestuursactiviteiten van rechtspersonen in andere vennootschappen echter een met btw belastbare dienst.

Organen van een vennootschap

Een vennootschap wordt vertegenwoordigd door haar ‘organen’. Zij treden op in naam van de vennootschap en kunnen haar in rechte binden (bv. door het sluiten van overeenkomsten). De organen waar het hier over gaat zijn zaakvoerders, bestuurders en vereffenaars. Deze bestuursfuncties kunnen uitgeoefend worden door natuurlijke personen, maar ook door andere rechtspersonen (meestal een andere vennootschap).

Diensten van bestuurders voorlopig niet aan btw onderworpen

Een bestuurder levert prestaties aan zijn vennootschap. De vraag rijst of die diensten aan btw onderworpen zijn.

Voor natuurlijke personen is het antwoord duidelijk: neen. Een natuurlijk persoon bestuurder wordt geacht geen zelfstandige activiteit uit te oefenen, maar te werken onder toezicht van andere organen van de vennootschap (bv. de raad van beheer).

Voor rechtspersonen gaat die redenering niet op. Een rechtspersoon wordt geacht niet ‘niet-zelfstandig’ te kunnen zijn. Met andere woorden ze zijn btw-plichtig en hun prestaties als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar zijn als belastbare diensten aan de btw onderworpen. De administratie stelt zich echter soepel op: deze rechtspersonen mogen er voor kiezen toch geen btw aan te rekenen voor hun prestaties als bestuurder, …

Maar deze administratieve tolerantie wordt geschrapt onder druk van Europa.

Dat betekent dus dat rechtspersonen die een functie als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar uitoefenen in een vennootschap, in de toekomst btw zullen moeten aanrekenen op hun diensten.

Natuurlijke personen die bestuurder zijn, blijven vrijgesteld.

Vanaf wanneer?

De tolerantie wordt geschrapt vanaf 1 januari 2016. Vanaf wanneer een bestuurder precies btw moet aanrekenen, hangt af van het moment van de opeisbaarheid van de btw.

Het is dus van belang eerst te weten wanneer de btw opeisbaar wordt. Er zijn verschillende hypotheses:

  • de algemene regel is dat het belastbare feit plaatsvindt en dus de btw opeisbaar wordt op het moment van de voltooiing van de dienst;
  • als de dienstverrichter al eerder betaald wordt, nog voor de dienst voltooid is, dan wordt de btw ook al eerder opeisbaar, met name wanneer hij de betaling ontvangt;
  • ten slotte geldt er een bijzondere regeling voor diensten die aanleiding geven tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen: deze diensten worden verondersteld te zijn voltooid bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft, waardoor de btw bij elke afrekening opeisbaar wordt.

Bestuurdersprestaties zullen vaak onder de laatste hypothese vallen en periodiek worden afgerekend. 

Voor periodieke afrekeningen die opgemaakt zijn voor 1 januari 2016 geldt nog de vrijstelling van btw, ook als de betaling pas in 2016 geschiedt. Als de afrekening zelf pas in 2016 gebeurt, zal de rechtspersoon-bestuurder sowieso btw moeten aanrekenen.

Voor tantièmes is er nog onduidelijkheid. Volgens de fiscus is het moment van opeisbaarheid de algemene vergadering waarop wordt beslist aan de bestuurders een tantième uit te keren. Tantièmes die pas op de AV van 2016 worden toegekend zijn dan aan btw onderworpen, ook al worden ze toegekend voor prestaties in 2015. Dit standpunt van de fiscus kan worden bekritiseerd, omdat de tantième in feite prestaties geleverd voor 1 januari 2016 beloont. Het valt nog af te wachten, hoe de fiscus op de kritiek zal reageren.

Voordeel en nadeel

De bestuurder-rechtspersoon wordt een btw-plichtige met recht op aftrek. Zij gaan de zelf betaalde btw dus kunnen aftrekken.

Voor de vennootschappen die bestuurd worden en zelf geen of slechts een beperkt recht op aftrek van btw hebben (bv. financiële instellingen, ziekenhuizen) is er wel een negatieve impact: zij moeten btw betalen aan hun bestuurders (als dit rechtspersonen zijn), maar zullen de btw niet of slechts deels kunnen aftrekken. Zij zullen dus de hogere kost (vergoeding voor de prestaties nu verhoogd met btw) zelf moeten dragen.

Opm. Als de vennootschap-bestuurder een kleine onderneming is (onder de drempel van 15.000 EUR blijft), blijft hij om die reden vrijgesteld van btw.

Overgangsregime voor liquidatieboni blijft (min of meer) bestaan

Kmo’s zullen in de toekomst een deel van hun winsten kunnen ‘reserveren’ tegen een anticipatieve heffing van 10 %. Bij een latere uitkering naar aanleiding van de liquidatie van de vennootschap, is er dan geen roerende voorheffing meer verschuldigd. Hiermee wordt in feite het overgangsregime dat gold tot 1 oktober 2014, waarbij ondernemingen hun reserves konden vastklikken, een permanente maatregel voor kmo’s. De concrete uitwerking van de nieuwe regel verschilt wel enigszins van de overgangsregeling.

Voorgeschiedenis

Het optrekken van de roerende voorheffing (RV) op liquidatieboni van 10 % naar 25 % vanaf 1 oktober 2014 zorgde voor heel wat ophef. Heel wat ondernemers hadden er immers op gerekend hun vennootschap aan dit gunstige tarief van 10 % te kunnen liquideren. Om daaraan tegemoet te komen, werd het overgangsregime ingevoerd, waardoor ondernemingen hun belaste reserves nu aan 10 % konden ‘vastklikken’, om ze later belastingvrij uit te kunnen keren. Het overgangsregime liep eveneens tot 1 oktober 2014.

Voor kmo’s wordt dat regime nu de facto een permanent regime, zij het met wat andere modaliteiten.

Gunstregime enkel voor kmo’s

Het eerste verschil met de overgangsregeling is dat de nieuwe regeling enkel geldt voor kmo’s (kleine vennootschappen in de zin van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen). De vennootschap moet ‘klein’ zijn op het moment van het aanleggen van de reserves. 

Aanleggen van ‘liquidatiereserves’

In het nieuwe systeem zullen kmo’s liquidatiereserves kunnen aanleggen. Dat is een deel van de winst na belasting, die ze als reserve aanleggen door overboeking naar één of meerdere afzonderlijke passiefrekeningen. Op het moment van het aanleggen van de reserve wordt er een anticipatieve roerende voorheffing van 10 % – ten laste van de vennootschap – ingehouden. Bij de latere uitkering naar aanleiding van de liquidatie moet er geen bijkomende belasting meer worden betaald. Het komt er dus eigenlijk op neer dat kmo’s nog steeds genieten van een heffing op liquidatieboni aan 10 %, zij het dat deze heffing al betaald moet worden bij het aanleggen van de reserve en niet bij het uitkeren.

Enkel voor uitkering bij liquidatie

Als de aangelegde reserves op een ander moment (dan bij liquidatie) worden uitgekeerd, is er nog wel een bijkomende heffing verschuldigd. De uitkering van de liquidatiereserves tijdens het leven van de vennootschap wordt immers behandeld als een gewoon uitgekeerd dividend. Er is dus een hogere RV verschuldigd.

De hoogte van de bijkomende heffing hangt af van het moment van de uitkering van de reserves onder een andere vorm dan als liquidatiebonus:

  • als er minder dan vijf jaar is verstreken tussen aanleg en uitkering: een heffing van 15 %;
  • als er meer dan vijf jaar is verstreken: een heffing van 5 %.

De uitkeringen gebeuren volgens het FIFO-systeem (first in, first out). Dat is in het voordeel van de belastingplichtige. Bij uitkering worden de oudste aangelegde liquidatiereserves geacht eerst te worden uitgekeerd.

Als u bereid bent die kost van 5 % te betalen en geduld (minstens vijf jaar) uit te oefenen, kan u met uw kmo dus nog wel dividenden uitkeren aan 15 % (i.p.v. standaardtarief van 25 %). Dat kan trouwens ook nog steeds voor kapitaalverhogingen doorgevoerd na 1 juli 2013 (ook deze dividenden blijven gunstig belast).

‘wist je datjes’ over restaurantkosten

Restaurantkosten zijn in de inkomstenbelasting slechts 69 % aftrekbaar, als ze een ‘beroepskarakter’ hebben. Dat wil zeggen dat ze verband moeten houden met uw beroep. Bijvoorbeeld u gaat lunchen met een (potentiële) klant of een leverancier. Het blijft niettemin vaak een feitenkwestie. 

Hier volgen enkele elementen die meespelen in de beoordeling en gebaseerd zijn op tendensen in de rechtspraak.

Om te bepalen of het restaurantbezoek een beroepskarakter heeft, kunnen het tijdstip en het gezelschap relevant zijn. In sommige gevallen wordt ook de plaats van het etentje in aanmerking genomen.

Wanneer?

Over het algemeen staan belastingcontroleurs weigerachtig tegenover restaurantkosten die in het weekend worden gemaakt. De fiscus zal vaak vermoeden dat het eigenlijk om een privé-etentje gaat.

Met wie?

Ook het gezelschap waarmee u gaat eten, wordt in de beoordeling betrokken. Vanzelfsprekend zal een romantisch etentje met uw echtgenote voor uw huwelijksverjaardag, niet aftrekbaar zijn.

Maar de fiscus gaat nog verder: etentjes met familieleden worden meestal ook als privé gezien. Ook al is het in feite niet uitgesloten dat u zaken doet met familieleden.

Meer nog: als u een zakendiner heeft en u en uw zakenrelatie brengen hun partner mee, is de kans groot dat de fiscus een deel van de kosten niet zal aanvaarden.

Anderzijds wordt het beroepsmatig karakter van de restaurantkosten in principe niet beïnvloed door de hoogte van de rekening. Het maakt dus niet uit of naar een taverne gaat of naar een sterrenrestaurant.

Let wel op: de prijs van het etentje bepaalt niet of het etentje een beroepskarakter heeft, maar de fiscus heeft nog een andere stok achter de deur. De fiscus kan aanvoeren dat de restaurantkost niet aftrekbaar is omdat zij op onredelijke wijze de beroepsbehoefte overtreft. Of de kosten onredelijk zijn, hangt ook weer af van de situatie: als u een jaarlijks inkomen aangeeft van 10.000 EUR en daarvan voor 3.000 EUR restaurantkosten wil aftrekken, zal er allicht bij de controleur een belletje gaan rinkelen.

Uitzonderingvertegenwoordigers in de voedingssector – hun restaurantkosten als ze met een zakenrelatie gaan eten, zijn wel volledig aftrekbaar. Deze uitzondering moet evenwel strikt worden geïnterpreteerd. Dit wil zeggen dat ze slechts geldt voor wie producten voor menselijke consumptie verkoopt. Vertegenwoordigers in eetservies, keuken(machine)s, rookwaren, dierenvoedsel en dergelijke vallen niet onder deze uitzondering. Voor hen is de aftrekbaarheid ook beperkt tot 69 %.

btw op restaurantkosten nooit aftrekbaar

U kan de btw van uw restaurantbonnetje dus niet recupereren. Zelfs niet als u een btw-plichtige met een volledig recht op aftrek bent. Toch kan u die kost gedeeltelijk wel compenseren: u kan de btw immers wel mee aftrekken in de inkomstenbelasting (natuurlijk nog steeds aan de aftrekbeperking van 69 %).

Voorbeeld
U krijgt een rekening van 150 EUR + 18 EUR btw. We gaan er hier vanuit dat er op de rekening volledig 12 % btw wordt geheven, hoewel in de praktijk het drinken apart aan 21 % zal worden belast. Deze 18 EUR btw is niet aftrekbaar. Maar in de inkomstenbelastingen mag u 69 % van 168 EUR (de restaurantkosten inclusief btw) aftrekken = 115,92 EUR.

Vlaamse renovatiepremie omgedoopt tot belastingvermindering

Geen tegemoetkomingen meer voor renovatie? Toch wel, maar anders en later.

Begin 2014 werd de Vlaamse renovatiepremie nog uitgebreid tot gebouwen met een andere functie die worden omgevormd tot woning, en tot bestaande woningen die worden opsplitst in meerdere wooneenheden.
De uitbetaling van de premie gebeurde in één keer, binnen de vier maanden na goedkeuring.

In 2015 wordt de Vlaamse renovatiepremie echter een belastingvermindering/belastingkrediet die drie schijven toegekend.

U ontvangt nog wel hetzelfde bedrag, maar later.

Fiscaal voordeel aan dezelfde voorwaarden

De Vlaamse regering wil iedereen die in aanmerking komt voor een renovatiepremie het fiscale voordeel bij renovatie toekennen. De voorwaarden voor deze belastingvermindering/belastingkrediet en de lijst van werken die in aanmerking komen, blijven dezelfde als die voor de renovatiepremie.
– De woning moet minstens 25 jaar oud zijn en liggen in het Vlaamse gewest. Kamers en studentenkamers komen niet in aanmerking, ook al is het gebouw minstens 25 jaar oud.
– De totale kostprijs van de werkzaamheden die in aanmerking worden genomen, moet minstens 10.000 EUR bedragen, exclusief btw. De facturen mogen op de aanvraagdatum maximaal drie jaar oud zijn.
– Verder worden er ook inkomensvoorwaarden gesteld.
Het inkomen voor alleenstaanden zonder personen ten laste mag niet meer bedragen dan 40.600 EUR en voor alleenstaanden met één persoon ten laste is dit 57.990 EUR, te verhogen met 3.250 EUR per persoon ten laste vanaf de tweede persoon ten laste.
Voor gehuwden en wettelijk of feitelijk samenwonenden gelden volgende inkomensgrenzen sinds 1 januari 2014: 57.990 EUR te verhogen met 3.250 EUR per persoon ten laste op het moment van de aanvraag.
Men kijkt naar het gezamenlijk belastbaar inkomen van het derde jaar dat aan de aanvraagdatum voorafgaat. Voor aanvragen in 2015 is dit het inkomen van 2012.

Uitbetaling belastingvermindering

De aanvraag voor de belastingvermindering gebeurt bij Wonen-Vlaanderen. Zij zorgen bij goedkeuring voor een attest. Het attest voor de belastingvermindering zal u (pas) vanaf de zomer van 2015 kunnen aanvragen. Dat attest moet u voegen bij uw belastingaangifte van 2016 (inkomstenjaar 2015). Begin 2017 wordt de eerste schijf uitbetaald, de tweede het jaar erop en de derde het jaar daarop.

De nieuwe regeling is een belastingkrediet. D.w.z. dat als u weinig of geen belastingen betaalt, het voordeel toch wordt uitbetaald.
Over de gevolgen van de verkoop van uw woning in de periode van de drie jaar waarin dit fiscale voordeel geldt, is nog geen definitief standpunt ingenomen.

Verdere details zijn te vinden op: www.wonenvlaanderen.be

Cateringdiensten: hoeveel BTW aanrekenen?

Over het juiste BTW-tarief van cateringdiensten woedt al jaren een discussie.

Zijn deze diensten onderworpen aan het verlaagde tarief van 6 % voor het eenvoudig leveren van een bereide maaltijd of aan 12 % voor restaurant- en cateringdiensten.

Een recente beslissing van de btw-administratie verduidelijkt de “nieuwe” regeling geldend vanaf 1 januari 2015.

Regel

Naar gelang de kwalificatie van de handeling gelden er andere btw-tarieven:

  • het zuiver leveren van een bereide maaltijd: 6 %;
  • restaurant- of cateringdiensten: 12 %;
  • dranken: 21 %;
  • globale prijs voor eten en drinken: opsplitsen van de prijs en aanrekenen van 12 % voor het eten en 21 % voor de dranken.

Maar wat zijn restaurant- en cateringdiensten?

Restaurant- en cateringdiensten zijn diensten die worden aangeboden op café of restaurant, nl. het verschaffen van spijs en drank voor verbruik ter plaatse.

Waarom zoveel verwarring?

In de praktijk is het niet zo eenvoudig om een levering van een bereide maaltijd te onderscheiden van een catering- of restaurantdienst. Om te bepalen welke van de twee (zuiver leveren van maaltijd of restaurantdienst) het is, moeten we kijken naar de kwalitatief overheersende aspecten. Een restaurant- of cateringactiviteit omvat immers een geheel van handelingen. Naast de levering van voedsel komen er ook andere diensten bij kijken, bv. bediening (aan tafel), ter beschikking stellen van infrastructuur. Om te kunnen spreken van een catering- of restaurantdienst moeten die diensten doorslaggevend zijn. M.a.w. als het dienstenaspect eerder beperkt is, is de handeling in zijn geheel als een zuivere levering van een maaltijd ( = een levering van goederen, en geen dienst) te beschouwen.

Voorbeeld

Het aanbieden van beperkte zit- of staanplaatsen om een eenvoudige maaltijd te nuttigen zonder bediening aan tafel: het leveren van de maaltijd overheerst = geen restaurant- of cateringdienst.

De volgende diensten zijn volgens de administratie zeker restaurant- of cateringdiensten:

  • verschaffen van bereide maaltijden, met bediening aan tafel (hoeft geen klassiek restaurant te zijn);
  • verschaffen van bereide maaltijden, inclusief de terbeschikkingstelling van een infrastructuur (tafels, stoelen, borden, bestek, glazen,…) voor het verbruik ter plaatse (fastfood- of zelfbedieningsrestaurant);
  • verschaffen van bereide maaltijden, met materiële tussenkomst bij de klant (bereiding van de maaltijden ter plaatse, opdienen, terbeschikkingstelling van borden, bestek, glazen,…).

Gemeenschappelijk vervoer van het personeel fiscaal bekeken

Wist u dat u een interessante fiscale incentive kan krijgen als u gemeenschappelijk vervoer organiseert voor uw personeel? U kan 120 % van de kosten die u hiervoor maakt, aftrekken. Ja, u leest het goed: u kan meer kosten aftrekken dan u in werkelijkheid heeft gemaakt.

Welk vervoer?

De regeling geldt voor het gemeenschappelijk vervoer dat u dat u als werkgever (eventueel samen met andere werkgevers) organiseert voor uw personeelsleden tussen hun woonplaats en hun plaats van tewerkstelling. Het vervoer kan met eigen voertuigen van de onderneming plaatsvinden, of kan aan een externe firma worden toevertrouwd (bv. busmaatschappij).

Met welke voertuigen?

Volgens de tekst van de wet moet het vervoer gebeuren met minibus, autobus of autocar. Een ‘minibus’ is elke auto gebouwd voor het vervoer van personen, die bij gebruik voor het bezoldigde vervoer van personen, ten hoogste acht plaatsen mag bevatten, zonder die van de bestuurder, en die voorzien is van een carrosserie van hetzelfde type als dat van lichte vrachtauto’s of autobussen.

De administratie stelt zich evenwel soepel op en aanvaardt dat het gemeenschappelijk vervoer gebeurt met eender welk voertuig dat geschikt is voor het vervoer van minimum twee personen. Met andere woorden ook een gewone personenauto komt in aanmerking.

Welke kosten?

De volgende kosten komen in aanmerking voor de aftrek van 120 %:

  • als de onderneming het vervoer doet met eigen voertuigen: alle kosten die rechtstreeks in verband staan met die voertuigen, o.a. brandstofkosten, afschrijvingen, onderhoud en herstelling, verkeersbelasting, verzekering, prijs van huren of leasen;
  • als de onderneming een beroep doet op een externe vervoersmaatschappij: de vergoeding voor de diensten van de vervoersmaatschappij.

De kosten zijn 120 % aftrekbaar voor zover de echtheid en het bedrag van de kosten worden bewezen, de kosten rechtstreeks betrekking hebben op deze voertuigen en in rechtsreeks verband staan met het vervoer van het personeel.

Als een voertuig naast het gemeenschappelijk gebruik ook wordt aangewend voor andere verplaatsingen is de kostenaftrek van 120 % slechts van toepassing op het gedeelte dat voor het gemeenschappelijk vervoer wordt gebruikt. Het gedeelte dat voor andere verplaatsingen wordt gebruikt, valt onder de gewone aftrekbeperking (voor vennootschappen in functie van de CO2-uitstoot van het voertuig).

Vlaamse ecologiepremie – nieuwigheden voor 2015

De ecologiepremie is een financiële tegemoetkoming van de Vlaamse overheid aan ondernemingen voor milieu-investeringen en investeringen op energiegebied.

Binnen de ecologiesteunregeling bestaan twee steunregimes.

Enerzijds de EP-PLUS steunregeling die een limitatieve technologieënlijst (LTL-lijst) met een 170-tal technologieën gebruikt die voor een ecologiepremie in aanmerking komen. De technologieën worden op basis van hun ecologiegetal ingedeeld in vier ecoklassen afhankelijk van het milieu- of energievoordeel van de technologie (A, B, C en D).

Anderzijds is er een steunregeling voor strategische ecologieprojecten (STRES), waarbij investeringen in groene spitstechnologie worden gesubsidieerd. De steunpercentages voor deze projecten werden medio 2014 op 0% gezet, maar met ingang van 1 januari 2015 kunnen opnieuw aanvragen ingediend worden.

 

Steunpercentages

Deze zijn afhankelijk van het type van investering, grootte van de onderneming,… Om de effectieve steun te bepalen moet het subsidiepercentage vermenigvuldigd worden met het meerkostenpercentage van de gekozen technologie.

 

EP-PLUS steunregeling

Type investering Steunpercentages
milieu energiebesparend WKK & hernieuwbare energie
Ecoklasse Ecogetal kmo go kmo go kmo go
A 9-6 25% 12,5% 25% 12,5% 25% 12,5%
B 4-3 10% 5% 10% 5% 10% 5%
C 2 5% 0% 5% 0% 5% 0%
D 1 5% 0% 5% 0% 5% 0%

Kleine en middelgrote ondernemingen die een inspanning leverden om een eerstelijns energie-, milieu- of eco-efficiëntiescan te ondergaan en beschikken over een geldige scan op datum van indiening van de steunaanvraag kunnen daarenboven nog genieten van een subsidiebonus. Ondernemingen die op de datum van indiening van de steunaanvraag beschikken over een geldig milieucertificaat (erkenningslogo) of een gecertificeerd milieumanagementsysteem hebben recht op een subsidiebonus.

 

Steunregeling voor strategische ecologieprojecten (STRES)

  Type investering Steunpercentages
milieu energiebesparend WKK & hernieuwbare energie
Ecoklasse Ecogetal kmo go kmo go kmo go
A 9-6 45% 35% 70% 60% 55% 45%
B 4-3 35% 25% 50% 40% 45% 35%
C 2 25% 15% 30% 20% 30% 20%
D 1 15% 5% 15% 10% 15% 5%

De steun per onderneming voor beide categorieën is beperkt tot maximum € 1 miljoen per drie jaar.

 

Uitbetaling

De steun wordt in drie schijven uitbetaald:

  • een eerste schijf (30%) na de start van de investering (datum eerste factuur);
  • een tweede schijf (30%) nadat 60% van de investeringen zijn gerealiseerd;
  • een derde schijf (40%) na beëindiging van de investeringen en na controle van het dossier.

! De elektronische steunaanvraag moet vóór de start van de investeringen gebeuren.

! De ecologiepremie is vrijgesteld van vennootschapsbelasting.

! Zelfstandigen en eenmanszaken die onder het stelsel van de personenbelasting vallen, kunnen niet genieten van deze vrijstelling.

Voor verdere informatie kan u terecht bij het Agentschap Ondernemen – Afdeling Economisch Ondersteuningsbeleid – Ellipsgebouw Koning Albert II-laan 35, bus 12, 1030 Brussel