september, 2014

 

privé aankoop in buitenland – steeds buitenlandse BTW?

Ik koop iets in het buitenland: waar betaal ik btw?

De algemene regel is eenvoudig: als particulier betaalt u btw in het land waar u het product koopt. De btw is immers een verbruiksbelasting, die moet worden betaald in het land van verbruik. Toch bestaan er enkele uitzonderingen.

De regel: btw in land van aankoop

Particulieren zijn uiteraard vrij aankopen te doen in andere lidstaten van de Europese Unie. Op dat moment voldoet u de btw op die aankopen in het land van oorsprong.

De gekochte goederen kan u zonder enige formaliteit mee terug nemen naar uw woonstaat.

Uitzondering 1: de aankoop van een nieuw vervoermiddel

De aankoop van een nieuw vervoermiddel moet altijd worden belast in het land van bestemming, met andere woorden in het land waar het voertuig gebruikt zal worden. Als u dus een wagen koopt in het buitenland met de bedoeling die naar België over te brengen, betaalt u toch btw in België.

Het gaat over allerlei soorten voertuigen (en niet enkel wagens): personenauto’s, vrachtwagens, trams, autobussen, vliegtuigen, schepen, boten, enz.

Een vervoermiddel wordt als ‘nieuw’ beschouwd voor de btw:

  • landvoertuigen binnen de eerste zes maanden na hun eerste ingebruikneming, OF als ze niet meer dan 6000 kilometer hebben afgelegd;
  • boten  binnen de drie maanden na hun eerste ingebruikneming, OF als ze minder dan 100 uur gevaren hebben;
  • luchtvaartuigen binnen de drie maanden na hun eerste ingebruikneming, OF als ze minder dan 40 uur gevlogen hebben.

Uitzondering 2: accijnsgoederen

Ook accijnsgoederen moeten steeds worden belast in het land van bestemming. De lidstaat van bestemming is het land waar de verzending of het vervoer van deze producten aankomt.

Accijnsgoederen zijn: minerale oliën (benzine, diesel, stookolie), alcohol en alcoholhoudende dranken en tabaksfabrikaten.

Uitzondering 3: verkopen op afstand

In de EU gelden in de verschillende lidstaten nog steeds verschillende btw-tarieven. Het regime van de ‘verkopen op afstand’ werd ingevoerd om te vermijden dat o.a. postorderbedrijven zich massaal zouden vestigen in lidstaten met de laagste btw.

Er is enkel sprake van ‘verkoop op afstand’ (in de zin van deze bijzondere regeling) als het vervoer of de verzending rechtstreeks of onrechtstreeks gebeurt door de verkoper van de ene naar de andere lidstaat.

Bij de verkoop op afstand is de btw verschuldigd in het land van bestemming, het land van de koper en niet in het land waar de verkoper gevestigd is.

Voorbeeld: u bestelt bij een Duits postorderbedrijf kledij en schoenen, u zal toch Belgische btw verschuldigd zijn.

Op deze uitzondering bestaat nog een uitzondering: voor kleine leveranciers (die weinig verkopen naar het buitenland): zij mogen toch de btw van hun vestigingsland aanrekenen. In dat geval mag de leverancier niet voor meer dan 35.000 EUR in België geleverd hebben tijdens het huidige en vorige kalenderjaar.

Voorbeeld: u bestelt in oktober 2013 bij een klein Nederlands bedrijf meubels ter waarde van 5.000 EUR, de Nederlandse verkoper heeft in de loop van 2012 en 2013 geen andere Belgische klanten gehad, de verkoper zal Nederlandse btw aanrekenen.

De verkoper moet deze laatste ‘uitzondering op de uitzondering’ niet toepassen: hij mag er voor kiezen de ‘verkopen op afstand’ steeds in het land van de klant te laten belasten, zelfs als hij de drempel niet overschrijdt.

Uitzondering 4: levering van goederen met installatie of montage

Als een goed wordt geleverd en wordt geïnstalleerd of gemonteerd door de verkoper, zal steeds de btw verschuldigd zijn van het land waar de montage/installatie plaats vindt.

Om te kunnen spreken van een ‘levering met installatie’ is het vereist dat het bijkomend materieel werk van de installatie/montage noodzakelijk is. Met andere woorden: de gekochte goederen kunnen niet gebruikt worden zonder de installatie/montage.

Voorbeeld: u koopt badkamermeubelen bij een Frans bedrijf. De Franse verkoper komt dit bij u thuis in Brussel monteren. U betaalt btw in België.

jaarvergadering – bevoegdheden

Een overzicht van de bevoegdheden van de jaarvergadering

De algemene vergadering is een verplicht orgaan met wettelijke bevoegdheden. Wanneer uw boekhouding per kalenderjaar loopt, valt de jaarvergadering meestal in mei of in juni omdat ze moet plaatsvinden binnen de zes maanden na het einde van het boekjaar. De jaarvergadering kan alle bevoegdheden uitoefenen die het Wetboek van Vennootschappen en de statuten haar toekennen.

Soorten algemene vergaderingen

Er zijn drie soorten algemene vergaderingen. De gewone algemene vergadering of jaarvergadering die beslist over de goedkeuring van de jaarrekening en over het verlenen van kwijting aan het bestuursorgaan en de commissaris(sen). De gewone algemene vergadering moet jaarlijks verplicht worden gehouden binnen de zes maanden na het sluiten van het boekjaar. Deze vergadering vindt plaats op de datum en de plaats voorzien in de statuten.

De buitengewone algemene vergadering beslist over een voorstel van statutenwijziging. Het Wetboek van Vennootschappen bepaalt voor de naamloze vennootschap (NV) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BVBA) specifieke regels inzake aanwezigheid en meerderheid voor de algemene vergaderingen houdende wijziging van de statuten. Voor de coöperatieve vennootschap (CV) moet rekening worden gehouden met de statutaire bepalingen terzake. Als de statutenwijziging het doel van de vennootschap betreft, voorziet de wet in een gelijkaardige procedure voor de NV, de BVBA en de CV.

De bijzondere algemene vergadering is iedere algemene vergadering die niet samenvalt met de gewone algemene vergadering en die niet moet beslissen over een statutenwijziging. Het doel van deze vergadering is rechten toekennen aan derden die een invloed hebben op het vermogen van de vennootschap zoals het uitbrengen van een openbaar overnamebod op de aandelen of de verandering van de controle op de vennootschap.

Wettelijke bevoegdheden (minimumbevoegdheden) van de algemene vergadering

De algemene vergadering van de NV, BVBA en Comm. VA (commanditaire vennootschap op aandelen) is alleen bevoegd voor de taken die het Wetboek van Vennootschappen aan haar heeft toegekend. De algemene vergadering kan er geen afstand van doen, niet ten voordele van een andere vennootschap en ook niet ten voordele van derden. In de statuten kunnen wel clausules worden opgenomen die de bevoegdheden van de bestuurders of zaakvoerders beperken ten voordele van de algemene vergadering, maar die statutaire clausules hebben alleen een interne werking. Ze zijn niet tegenstelbaar aan derden.

In de coöperatieve vennootschap, zowel de CV met beperkte als met onbeperkte aansprakelijkheid (CVBA en CVOA), kan men vrij in de statuten de bevoegdheden van de algemene vergadering vastleggen. Die statutaire bevoegdheidsclausules kunnen wél tegen derden worden ingeroepen als zij openbaar gemaakt zijn of, bij gebreke aan bekendmaking, als de vennootschap bewijst dat derden er kennis van hadden.

De algemene vergadering van aandeelhouders heeft de meest uitgebreide bevoegdheid om de handelingen die de vennootschap aangaat, te verrichten of te bekrachtigen. Als uw vennootschap een boekhouding per kalenderjaar voert, zal uw jaarvergadering meestal in mei of in juni vallen omdat ze moet plaatsvinden binnen de zes maanden na het einde van het boekjaar. Twijfelt u aan de bevoegdheden die uw jaarvergadering mag uitoefenen? De (gewone) bevoegdheden die het Wetboek van Vennootschappen voorbehoudt aan de algemene vergadering van een NV, Comm. VA en BVBA en die dus ook door de jaarvergadering kunnen worden uitgeoefend, zijn de volgende:

  • bespreking (goedkeuring) van de jaarrekening, het jaarverslag en het verslag van de commissaris. Dit is de belangrijkste bevoegdheid van de jaarvergadering;
  • het verlenen van kwijting aan bestuurders/zaakvoerders en commissarissen en het al dan niet toekennen van een vergoeding aan hen;
  • de benoeming en het ontslag van de bestuurders/zaakvoerders en van de commissaris. Bestuurders of niet-statutaire zaakvoerders kunnen op elk ogenblik worden ontslaan, een statutaire zaakvoerder in een BVBA of Comm. VA kan enkel worden ontslagen door een eenparig besluit van de vennoten of wegens ernstige redenen (meerderheid vereist voor een statutenwijziging);
  • het instellen van de vennootschapsvordering als de bestuurders door een fout de vennootschap schade hebben toegebracht (actio mandati);
  • wijziging van de statuten van de vennootschap;
  • verlenging van de duur van de vennootschap als de vennootschap is opgericht voor bepaalde duur;
  • beslissing tot vrijwillige vervroegde ontbinding van de vennootschap, gevolgd door de aanduiding van de vereffenaars en bepaling van hun bevoegdheden. Bijvoorbeeld als het nettoactief ten gevolge van geleden verliezen is gedaald tot minder dan de helft van het maatschappelijk kapitaal (de algemene vergadering beslist dan alsof het om een statutenwijziging gaat). Wanneer het nettoactief daalde tot minder dan één vierde van het maatschappelijk kapitaal, kan de algemene vergadering wel beslissen tot de ontbinding met één vierde van de uitgebrachte stemmen;
  • beslissing tot sluiting van de vereffening;
  • beslissing tot omzetting van de vennootschap volgens de regels van een gewone statutenwijziging;
  • beslissing tot inkoop van eigen aandelen;
  • goedkeuring van een quasi-inbreng, d.i. de verkrijging door de vennootschap van een vermogensbestanddeel toebehorend aan een oprichter, een bestuurder/zaakvoerder of een aandeelhouder/vennoot, binnen twee jaar na de oprichting van de vennootschap;
  • beslissing over een fusie of een splitsing of een gelijkgestelde verrichting;
  • beslissing tot inbreng van een algemeenheid of van een bedrijfstak;
  • beslissing tot uitgifte van converteerbare obligaties of van obligaties met voorkeurrecht in een NV of Comm. VA. De uitgifte van een gewone obligatielening is meestal een taak van de raad van bestuur/zaakvoerder, tenzij de statuten dit anders bepalen.

Theoretisch kan over de benoeming van de zaakvoerder(s) en de commissarissen, het instellen van de vennootschapsvordering en de beslissing over de quasi-inbreng ook in een buitengewone algemene vergadering worden beslist.

meerwaarden op aandelen – al dan niet taxatie in de vennootschap?

Meerwaarden op aandelen: vier hypotheses

Als uw vennootschap meerwaarden realiseert op aandelen, kan die meerwaarde aan verschillende fiscale regimes onderworpen worden. Naar gelang het regime is de meerwaarde vrijgesteld of wordt het aan een ander tarief (bv. 0,4 % of 25 %) belast. Welk regime er wordt toegepast, hangt onder meer af van de vraag of uw vennootschap groot of klein is, hoelang u de aandelen behoudt, …

Onder aandelen wordt hier begrepen: alle aandelen waarvan de inkomsten als dividend worden aangemerkt. Het gaat dus niet enkel om aandelen die het maatschappelijke kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen, ook om meerwaarden op winstbewijzen, maar niet om inschrijvingsrechten, warrants, converteerbare obligaties en aandelenopties.

Hypothese (1): vrijstelling als er aan de taxatievoorwaarde voldaan is

Meerwaarden op aandelen worden van belasting vrijgesteld als eventuele inkomsten uit deze aandelen (bv. dividenden) in aanmerking zouden komen voor de dbi-aftrek. Om de vrijstellingsvoorwaarden te kennen, moeten we dus kijken naar de toepassingsvoorwaarden van de dbi-aftrek. Enkel de taxatievoorwaarde van de dbi moet worden vervuld. D.w.z. dat de uitgekeerde dividenden bij de uitkerende vennootschap al eens belast moeten zijn. M.a.w. de vrijstelling geldt niet voor aandelen van vennootschappen die gevestigd zijn in landen waar ze niet belast worden of waar ze aan een ‘aanzienlijk gunstiger’ fiscaal regime zijn onderworpen dan in België.

Of deze voorwaarde vervuld is, wordt bepaald op het moment van de verwezenlijking van de meerwaarde ( = bij de vervreemding van de aandelen).

Hypothese (2):  25 % als de aandelen minder dan één jaar in volle eigendom werden behouden

Om van de vrijstelling te kunnen genieten moet de vennootschap de aandelen ten minste één jaar ononderbroken in volle eigendom houden. Het aanhouden in vruchtgebruik is niet voldoende.

Als de houdperiode niet werd gerespecteerd, wordt de meerwaarde onderworpen aan een belasting van 25 %  (verhoogd met de 3 % aanvullende crisisbijdrage geeft dat 25,75 %).

Voor aandelen die werden verkregen bij een belastingneutrale verrichting, wordt er om de houdperiode te berekenen, gekeken naar de datum waarop de aandelen verkregen werden door de inbrengende of de overgenomen vennootschap.

Hypothese (3): 0,4 % belasting als de  vennootschap  ‘groot’ is

Zelfs als er aan de voorwaarden in hypothese (1) en (2) voldaan is, is een meerwaarde op aandelen toch belastbaar als de realiserende vennootschap groot is in de zin van artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen. Daarvoor gelden criteria als balanstotaal, omzet en personeelsbestand.

Het tarief van deze meerwaardebelasting op aandelen van ‘grote’ vennootschappen bedraagt 0,4 %  (verhoogd met de 3 % aanvullende crisisbijdrage geeft dat 0,412 %).

Hypothese (4): het gewone tarief als de inkomsten niet in aanmerking komen voor de dbi-aftrek

Als de aandelen niet in aanmerking komen voor dbi-aftrek, zijn de eventuele meerwaarden belastbaar aan het tarief waaraan de andere winsten van de onderneming worden belast (normaal dus 33,99 % vennootschapsbelasting).

opleidingscheques – praktisch

Waar kan u terecht voor opleidingscheques?

De opleiding van personeel is goed voor de motivatie en zorgt ervoor dat we de concurrentie een stapje voor blijven. Veel opleidingen worden financieel gesteund door de gewesten. Zowel de VDAB, Actiris als Forem bieden opleidingscheques aan. Het loont zeker de moeite om na te kijken of u in aanmerking komt.

Vlaamse opleidings- en begeleidingscheques

De Vlaamse opleidings- en begeleidingscheques van de VDAB (de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding), zijn bedoeld voor werknemers, ambtenaren en uitzendkrachten die werken in Vlaanderen of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewesten en die wonen in Vlaanderen, het Brussels gewest, een lidstaat van de EER of vanuit de EER verhuisd zijn naar Wallonië. Zelfstandigen en studenten komen niet in aanmerking.

De opleidings- en begeleidingscheques dienen voor loopbaanbegeleiding en/of voorarbeidsmarktgerichte opleidingen bij een erkend begeleidings- of opleidingscentrum. Arbeidsmarktgerichte opleidingen zijn opleidingen die recht geven op betaald educatief verlof of opleidingen die in een persoonlijk ontwikkelingsplan zijn opgenomen in het kader van loopbaanbegeleiding. Er zijn cheques van 5, 10 en 25 euro. De Vlaamse overheid betaalt de helft van de cheques. Tot twee maanden na de start van de opleiding kan u cheques aanvragen met een maximum van 250 euro per kalenderjaar. De opleidingscheques zijn 14 maanden geldig. Bestellen kan op twee manieren: online via http://www.vdab.be/mijnloopbaan (kies in het menu ‘Mijn loopbaan’ voor de link ‘Aanvraag opleidingscheques’) of bel het gratis nummer 0800 30 700 (elke werkdag van 8 tot 19 uur). Vragen: mail naar opl.cheque@vdab.be

Website: http://www.vdab.be

sociaal statuut zelfstandige – verzekeringsplicht – nieuwigheden sinds 3de kwartaal 2014

Nieuwe regels voor verzekeringsplicht vennootschapsmandatarissen in het sociaal statuut zelfstandigen

Alle vennootschapsmandatarissen kunnen voortaan aantonen dat zij toch geen zelfstandige beroepsactiviteit in België uitoefenen en zich niet moeten aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds. De mandataris kan het vermoeden weerleggen door aan te tonen dat hij zijn mandaat zonder een winstoogmerk en dus zuiver kosteloos uitoefent. De nieuwe regels gelden voor de verzekeringsplicht sinds het derde kwartaal van 2014.

De zelfstandige beroepsactiviteit

Voor het begin van zijn zelfstandige activiteit, is de zelfstandige wettelijk verplicht zich aan te sluiten bij een sociaal verzekeringsfonds. Ook mandatarissen moeten aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds (via hun ondernemingsloket) zodra zij worden benoemd in een vennootschap die onderworpen is aan de Belgische vennootschapsbelasting of aan de belasting voor niet-verblijfhouders. Als zij niet aansluiten, kan hen een administratieve boete worden opgelegd.
In België worden bepaalde personen “vermoed” een zelfstandige beroepsactiviteit uit te oefenen en zijn zij onderworpen aan de Belgische sociale zekerheid voor zelfstandigen. Deze vermoedens zijn onder invloed van Europese rechtspraak niet langer onweerlegbaar.

Weerlegbare vermoedens verzekeringsplicht

Het eerste weerlegbaar vermoeden betreft de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit als vennootschapsmandataris : “De personen die aangesteld zijn tot mandataris in een vereniging of vennootschap nar rechte of in feite die zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighoudt of die, zonder aangesteld te zijn, een mandaat uitoefenen in een dergelijke vereniging of vennootschap, worden op weerlegbare wijze geacht een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen.”

Er moet dus niet enkel worden aangetoond dat het mandaat geen inkomsten oplevert (kosteloosheid in feite), maar ook dat het mandaat geen inkomsten kan opleveren (kosteloosheid in rechte).

Het tweede vermoeden betreft de lokalisatie van de activiteiten als vennootschapsmandataris: de zelfstandige beroepsbezigheid als mandataris in een aan de Belgische vennootschapsbelasting of belasting der niet-inwoners onderworpen vereniging of vennootschap, wordt op weerlegbare wijze geacht plaats te vinden in België.

Bewijs kosteloosheid mandaat

Het eerste vermoeden van uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit als vennootschapsmandataris kan men weerleggen door de kosteloosheid van het mandaat te bewijzen.

Vanaf 1 juli 2014 kunnen vennootschapsmandatarissen de kosteloosheid van hun mandaat bewijzen door een statutaire bepaling of een beslissing van het orgaan dat bevoegd is om de vergoedingen van de mandatarissen vast te stellen (m.a.w. een verslag van de algemene vergadering). Die statutaire bepaling of beslissing kan wel maar ten vroegste uitwerking hebben vanaf de 12de maand die voorafgaat aan de publicatie van de statutaire bepaling of de beslissing in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad; of de datum waarop de statutaire bepaling of de beslissing is meegedeeld aan de sociale verzekeringskas waarbij de mandataris is aangesloten of, bij gebreke van aansluiting, aan het RSVZ (Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen).

Het bewijs van de kosteloosheid van het mandaat wordt niet aanvaard wanneer er uit het mandaat bedrijfsleidersbezoldigingen voortvloeien of wanneer de vereniging of vennootschap waarin de mandataris een mandaat uitoefent bijdragen of premies stort voor de opbouw van een aanvullend pensioen van de mandataris.

De regels voor gepensioneerde mandatarissen wijzigen niet. De vennootschapsmandatarissen met een kosteloos mandaat, die de pensioenleeftijd bereikt hebben of effectief een pensioen genieten, zijn niet verzekeringsplichtig in het sociaal statuut en moeten zich niet aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds.

 

wet van 22 april 2012 ter bestrijding van de loonkloof – tweejaarlijks analyseverslag

Moet u een analyseverslag over bezoldigingsstructuur opstellen?

De wetgeving rond de loonkloof zorgt voor extra administratieve verplichtingen voor ondernemingen met ten minste 50 werknemers. Zij moeten tweejaarlijks een gedetailleerde analyse van de bezoldigingsstructuur binnen de onderneming opstellen. In afwijking moet het eerste analyseverslag betrekking hebben op het boekjaar afgesloten in 2014. Een overzicht van de nieuwe verplichtingen.

Aanpak loonkloof tussen mannen en vrouwen

De wet van 22 april 2012 ter bestrijding van de loonkloof tussen mannen en vrouwen voegt maatregelen in op interprofessioneel niveau, op sectoraal niveau en op ondernemingsniveau.

De gevolgen van die loonkloofwet op ondernemingsniveau worden nu voelbaar. Ondernemingen moeten verschillende maatregelen nemen om de loonkloof te dichten: ze zijn al verplicht om een sociale balans op te stellen waarin ze de personeelsgegevens opsplitsen volgens het geslacht van de werknemers. En nu, bijna 2 jaar na de publicatie van de loonkloofwet, zijn de uitvoeringsmaatregelen gepubliceerd voor de ondernemingen met ten minste 50 werknemers. Concreet gaat het over de opmaak van een gedetailleerd analyseverslag van de bezoldigingsstructuur en over de aanstelling van een bemiddelaar. Die bemiddelaar ondersteunt de opmaak van een actieplan en informeert werknemers die menen het slachtoffer te zijn van loondiscriminatie.

Analyseverslag over de bezoldigingstructuur: waarvoor?

De informatie uit het analyseverslag over de bezoldigingstructuur dient om te controleren of het bezoldigingsbeleid binnen de onderneming genderneutraal is. Als dat niet het geval blijkt te zijn, onderzoekt de ondernemingsraad op basis van de inlichtingen uit het verslag of het wenselijk is een actieplan op te stellen.

Analyseverslag over de bezoldigingstructuur: wanneer en wat?

Het eerste analyseverslag over de bezoldigingstructuur zal handelen over één enkel boekjaar: het boekjaar afgesloten in 2014. Het analyseverslag moet worden meegedeeld aan de leden van de ondernemingsraad, of indien er geen is, aan de vakbondsafvaardiging in de loop van de drie maanden die volgen op het afsluiten van het dienstjaar. Dit eerste verslag moet dus tegen 31 maart 2015 worden opgesteld. De bespreking heeft in ieder geval plaats vóór de algemene jaarvergadering van de aandeelhouders waarin het beheer en de jaarrekeningen aan bod komen. Daarna moet men om de twee jaar een analyseverslag opmaken dat betrekking heeft op de analyse van de bezoldiging over twee boekjaren.

De modelformulieren (beknopt of volledig) op basis waarvan dit verslag moet worden opgesteld, verschillen naargelang de onderneming ofwel 50 werknemers of meer maar minder dan 100 werknemers, ofwel 100 werknemers of meer tewerkstelt.

In het volledig verslag geeft de werkgever informatie over de bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen, de patronale premies voor extralegale verzekeringen en het totaal van andere extralegale voordelen bovenop het loon. Het analyseverslag moet deze inlichtingen over het loon uitsplitsen volgens het geslacht van de werknemers op basis van een aantal parameters zoals anciënniteit, kwalificatie- of opleidingsniveau en voor de “grote” werkgevers ook naar functieniveau. Als het aantal betrokken werknemers minder of gelijk is aan drie, moeten deze inlichtingen niet worden meegedeeld. Die maatregel is ingegeven ter bescherming van de privacy van de individuele werknemer.

Gevolgen voor werkgevers

De wetgeving rond de loonkloof leidt tot extra administratieve verplichtingen. Toch is het belangrijk deze verplichtingen ter harte te nemen. Overtredingen kunnen worden bestraft met sancties van niveau 2: een administratieve geldboete van 25 tot 250 euro (incl. opdeciemen), of een strafrechtelijke geldboete van 50 tot 500 euro (incl. opdeciemen).

factuur – vermelding RPR – wijzigingen

RPR anders te vermelden op uw facturen?De gerechtelijke hervorming heeft onrechtstreeks ook gevolgen voor de verplichte vermelding van het zgn. RPR op uw facturen. Even kijken wat er dan wijzigt…  
 Wat is dat RPR? Dat is kortweg de afkorting van ‘rechtspersonenregister’. De plaats die na dit ‘RPR’ vermeld wordt, geeft aan onder welk gerechtelijk arrondissement uw vennootschap valt. Staat er m.a.w. op uw facturen ‘RPR Hasselt’, dan weet iedereen dat uw vennootschap ressorteert onder de bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Hasselt.

Als eenmanszaak dus niet vermelden? Neen, inderdaad, alleen vennootschappen hebben zo’n RPR. Als eenmanszaak vermeldt u steeds uw woonplaats of domicilieadres, want dat bepaalt de rechtbank waaronder u valt.

Sinds 1 april 2014 zijn de gerechtelijke arrondissementen inderdaad hervormd en bijgevolg dus ook de rechtbanken van koophandel. Die laatste zijn sindsdien in hoofdzaak georganiseerd volgens de vijf hoven van beroep: Antwerpen, Gent, Brussel, Luik en Bergen. Daarnaast zijn er nog drie afzonderlijke rechtbanken van koophandel: in Leuven, Nijvel en Eupen. De voorheen bestaande zittingsplaatsen, zoals bv. Mechelen blijven wel behouden, maar worden afdelingen van de nieuwe grotere rechtbanken van koophandel.

Het RPR op uw facturen moet thans uitgebreid worden. Zo moet de rechtbank van koophandel eerst vermeld worden en vervolgens, indien aanwezig, de afdeling onder die rechtbank. Indien u dus vroeger ‘RPR Hasselt’ vermeldde, moet u dat nu vervangen door ‘RPR Antwerpen, afdeling Hasselt’.

Voorgedrukt briefpapier weggooien? Neen, zo drastisch moet u niet te werk gaan. Wel voegt u op uw oud briefpapier het best de nieuwe correcte vermelding toe, bv. in een extra kader of met een sticker.

Indien u niet weet onder welke rechtbank uw vennootschap valt, kan u dat nagaan op de site van de FOD justitie : http://www.juridat.be/kantons/kantons.htm